9 september 2003
Het is voor oudere werknemers onder voorwaarden mogelijk om in de tien jaren direct voorafgaand aan de in de pensioenregeling vastgestelde pensioeningangsdatum in het werk een stap terug te doen zonder dat dat leidt tot een lager pensioengevend loon. De oudere werknemer kan bijvoorbeeld in deeltijd gaan werken of terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie (demotie). De staatssecretaris heeft onlangs in een besluit aangegeven dat in de deeltijd- of demotieperiode het pensioengevend loon mag worden verhoogd met de loonindex in de bedrijfstak. Verder heeft de staatssecretaris een tegemoetkoming getroffen om te voorkomen dat werknemers die al vóór de tienjaarsperiode in deeltijd werken volgens de fiscale normen te snel een bovenmatig pensioen zouden hebben opgebouwd.
| Volledig bericht |
Een loonsverlaging leidt niet altijd tot een lager pensioengevend salaris. Zo is het voor oudere werknemers onder voorwaarden mogelijk om in de tien jaren direct voorafgaand aan de in de pensioenregeling vastgestelde pensioeningangsdatum in het werk een stap terug te doen zonder dat dat leidt tot een lager pensioengevend loon. Dat is het geval als: - de deeltijdfunctie ten minste 50% van een voltijdfunctie beloopt; - de werknemer terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie (demotie).
Hoewel het feitelijk ontvangen salaris wel lager wordt, is dat niet het geval met het pensioengevend loon. Het pensioengevend loon is zowel van belang voor de opbouw van de pensioenaanspraken als voor de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken op de pensioendatum.
Het pensioengevend salaris van een werknemer, die in de tienjaarsperiode vóór pensionering in deeltijd of demotie werkt, kan gedurende deze periode meestijgen met de loonindex in de bedrijfstak. Dat heeft de staatssecretaris onlangs in een besluit aangegeven. Deze tegemoetkoming past in het streven om oudere werknemers zo lang mogelijk in het arbeidsproces actief te houden.
Verder heeft de staatssecretaris een tegemoetkoming getroffen om te voorkomen dat werknemers die al vóór de tienjaarsperiode in deeltijd werken volgens de fiscale normen te snel een bovenmatig pensioen hebben opgebouwd. Het pensioengevend loon op pensioendatum is bepalend of de pensioenaanspraken op die datum in fiscaal opzicht bovenmatig zijn. Zo mag het ouderdomspensioen op pensioeningangsdatum niet uitgaan boven 100% van het pensioengevend loon op dat tijdstip. Bij langdurige deeltijd reeds vóór de tienjaarsperiode kan deze fiscale maximeringsnorm onredelijk uitpakken. In dat geval is het pensioengevend salaris wel gebaseerd op het lagere feitelijke salaris vanwege deeltijd, maar is de pensioenopbouw gedurende de loopbaan steeds fiscaal aanvaardbaar geweest. Op de pensioendatum blijkt het ouderdomspensioen opeens hoger te zijn dan het pensioengevend loon. De pensioenaanspraken zijn dan deels bovenmatig met bepaalde fiscale gevolgen (zie hierna bij Opmerkingen).
De staatssecretaris heeft aangegeven dat het pensioengevend loon op pensioeningangsdatum mag worden herrekend met deeltijdfactoren. Dit hogere, herrekende pensioengevend loon geldt dan als toets of sprake is van bovenmatig opgebouwde pensioenaanspraken.
Opmerkingen Als een pensioenregeling leidt tot deels bovenmatige pensioenaanspraken, heeft dit bepaalde fiscale gevolgen. Hierbij is van belang of de bovenmatige aanspraken vóór of na 1 januari 2001 zijn ontstaan. Voor bovenmatige pensioenaanspraken die vóór 1 januari 2001 zijn toegekend, blijven de fiscale regels van de oude Wet op de inkomstenbelasting 1964 gelden (tot 2021). De toekomstige uitkeringen uit het bovenmatige deel worden in beginsel progressief belast als periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening en wel via de zogeheten saldomethode.
Het is op verzoek mogelijk om in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 over het op 1 januari 2001 aanwezige bovenmatige deel van de pensioenaanspraken in één keer af te rekenen tegen het onder de oude Wet geldende bijzondere tarief van 45%. Alsdan vindt ook hier belastingheffing plaats met toepassing van de saldomethode. Na deze afrekening gaan deze pensioenaanspraken over naar box 3 (forfaitaire rendementsheffing) en zijn latere uitkeringen uit deze aanspraken niet meer belast. Wanneer geen gebruik is gemaakt van de afrekenoptie en op 31 december 2020 nog recht bestaat op bovenmatige pensioenaanspraken van vóór 1 januari 2001, vindt alsnog afrekening plaats tegen (op verzoek) het 45%-tarief over het met de saldomethode berekende belastbare deel.
Bovenmatige pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2001 zijn ontstaan, vallen in box 3, zodat de waarde van de pensioenaanspraken tot de heffingsgrondslag van de vermogensrendementsheffing behoren en de latere pensioenuitkeringen uit de bovenmatige aanspraken niet tot belastingheffing leiden.
Bron: Ministerie van Financiën, 27-8-2003, nr. CPP2003/233M
|